Selecteer een pagina

In een vorig artikel identificeerde ik drie perspectieven om naar platforms te kijken; een economisch, technologisch en sociaal perspectief. In dat sociale perspectief zit ook het aspect van platforms dat de groepen belanghebbenden ontwikkeld en onderhouden worden. In dit artikel zoom ik in op de sociale kant van platforms, waarbij ik het begrip “Ecosysteem” introduceer.

Platforms

Het begrip “platform” is in aanzet gedefinieerd als een marktplaats waar diensten of informatie wordt uitgewisseld. Het platform brengt als een marktmeester groepen belanghebbenden, zoals vragers en aanbieders, bij elkaar. Als we ervan uitgaan dat die groepen intrinsiek die transacties willen uitvoeren of willen samenwerken, dan is het platform een faciliteit om dat goed en efficiënt te kunnen doen.

Ecosystemen

Het sociale perspectief op platforms richt zich op de groepen belanghebbenden. We kunnen deze groepen gezamenlijk aanduiden als “de gemeenschap”. We kunnen ook groepen verder specificeren tot individuen, ondernemers en bedrijven met een onderlinge afhankelijkheid en/of concurrentie. Daarmee komen we in de buurt van een ecosysteem.

Net zoals het begrip platform is het begrip ecosysteem nogal multi-interpretabel. Mirva Peltoniemi onderkende dat in 2006 ook en deed een poging tot een definitie die van kracht kan zijn op ecosystemen buiten de biologie:

“Business ecosystems are characterised by a large number of loosely interconnected participants who depend on each other for their mutual effectiveness and survival.”

Mirva Peltoniemi

Overigens is dit dan wel een definitie voor gebruik buiten de biologie, het begrip is niet zonder reden geleend van de biologie. Verschijnselen uit de natuur zijn heel vaak geschikt als model, maatstaf of mentor voor verandering in een andere context. Deze manier van denken heet Biomimicry en is fascinerend voor iedereen die zich bezighoudt met innovatie.

Ecosystemen zijn opnieuw op meerdere manieren herkenbaar in de platformeconomie. Op de eerste plaats zijn platforms vaak gebaseerd op andere platforms. Een platform als Uber kan mede succesvol zijn omdat het gebruik maakt van het technologieplatform van Amazon Webservices. Op Uber wordt bijvoorbeeld weer voortgebouwd door SAP Concur. Ook hier zitten aspecten van het ecosysteem, maar dan via het technologische perspectief.

In dit artikel wil ik me richten op het sociale, menselijke perspectief.

Gemeenschap

Veel bekende platforms uit de platformeconomie gebruiken arbeid als deel van de transactie. Als arbeid een rol speelt, dan kan het begrip platformeconomie gespecificeerd worden tot klusseneconomie (“Gig economy”). Het zijn die typen platform waar vaak kritiek op geuit wordt als het gaat om sociale zekerheid. Werkers in de klusseneconomie worden aangeduid met het “precariaat“.

Platforms versplinteren werk tot “klusjes” en zetten die klusjes uit in de groep aanbieders. Vaak worden de klussen gekoppeld aan aanbieders op basis van “ranking” en “matching” algoritmen. Deze aanbieders hebben elkaar in het ecosysteem nodig, maar bieden ook tegen elkaar op en onder op de marktplaats. De afhankelijkheid van elkaar bestaat erin dat door veel aanbieders te verenigen onder een platform, het platform en de aanbieders ook herkenbaar en aantrekkelijk worden voor de vragers.

Platformwerk bestaat uit afgebakende klussen die worden uitgevoerd door flexwerkers op momenten die hen uitkomen. De flexwerkers zijn dan individuen die het werk uitvoeren als zelfstandig ondernemers (ZZP’ers). Sociale wetgeving en vakorganisatie zijn niet afgestemd op deze manier van organiseren waardoor er op dit moment veel onduidelijkheid is. Inmiddels ontstaan er al wel, bijvoorbeeld, Youtube-unions en experimenteert de Duitse IG Metall met een vakbond voor flexwerkers.

Voor mijn studie interviewde ik onlangs Mei Li Vos in haar rol als bestuurder van AVV, Alternatief voor Vakbond. De AVV is opgericht als reactie op traditionele bonden die niets constructiefs konden met platformwerk, behalve flexibilisering als fenomeen vervloeken. De AVV is opgericht vanuit de gedachte dat flexibilisering een gegeven is en regelmatig ook een behoefte van werkers zelf. Met dit als uitgangspunt zoekt men naar oplossingen voor de wantoestanden die uiteraard onderkend worden.

Overigens is het ook interessant dat de AVV als “democratische vakbond” zelf symptomen heeft van een platform. Daarbij kunnen leden als één zijde van de markt worden gezien en werkgevers als de andere. Afspraken in CAO’s kunnen dan als de transacties worden beschouwd, waarover via het platform wordt gestemd en gesproken.

Over de vakorganisatie als platform schreef ik bij Contezza vorig jaar een artikel. Een genuanceerde versie daarvan zou kunnen zijn dat werkers onder een platform zich organiseren als coöperatie.

Gemeenschapszin

Onder gemeenschapszin versta ik in dit verband de bereidheid onder een groep werkers om zich te organiseren en een “sociale dialoog” met werkverschaffers te voeren en de bereidheid om bij te dragen aan sociale voorzieningen.

Er wordt inmiddels uitgebreid onderzocht wat behoeften en bereidheid zijn onder de groep aantal flexwerkers. Wat in drie door mij doorgenomen onderzoeken blijkt is dat er een aantal onderdelingen van de groep flexwerkers belangrijk is.

Als we flexibilisering beschouwen als uiting van individualisering, dan wordt het ook interessant om individualisering te duiden. Er zijn twee soorten individualisme; structureel individualisme en cultureel individualisme. De eerste houdt in dat mensen zich niet meer verbonden voelen door instituties zoals kerk, partij of klasse. Cultureel individualisme houdt in dat mensen zich in de kern vrij achten om eigen keuzes te maken voor hun ontwikkeling. Structureel individualisten zijn, aldus dit onderzoek van Achterberg, niet bereid zich te organiseren als ze flexwerker zijn. De cultureel individualisten zijn dat wel.

Het onderzoek van Killhoffer richtte zich op de toepasbaarheid van de structuren voor vakorganisatie die tijdens de industriële revolutie zijn ontstaan op de huidige maatschappij. Wat daar opvalt is dat platforms zich niet beschouwen als partij in het tri-partite overleg tussen overheid, werkgevers en werknemers, maar dat de platformwerkers dat wel vinden en zich organiseren in vakorganisaties.

Het onderzoek van Dekker onderscheidt flexwerkers en zelfstandig professionals en constateert dat organisatie vooral voor de eerste groep relevant is. De tweede groep ervaart geen “baanonzekerheid”, maar “werkonzekerheid”. Organisatie is voor hen minder relevant, maar ze staan er niet afwijzend tegenover.

Een onderverdeling van het leger flexwerkers met een grote detailniveau van in het onderzoek van Dekker lijkt mij relevant. Er zijn voorbeelden van flexwerkers die geen notie hebben van de contractvorm en voor bijvoorbeeld de belastingdienst “resultaatgenieters” zijn. Zelfstandigen zonder enige juridische status en daarmee met alleen fiscale nadelen.

Bronnen

Artikelen

  1. Achterberg, P., Raven, J., & Van, D. (2013). Individualization: A double- edged sword: Welfare, the experience of social risks and the need for social insurance in the netherlands. Current Sociology, 61(7), 949-965. doi:10.1177/0011392113499738
  2. Kilhoffer, Zachary, Karolien Lenaerts, and Miroslav Beblavý. “The Platform Economy and Industrial Relations: Applying the old framework to the new reality.” (2017).
  3. Dekker, Fabian, Romke van der Veen, and Bram Peper. “Herziening van sociale zekerheid: het perspectief van flexwerkers en zelfstandigen.” Beleid en Maatschappij 39.3 (2012): 297-310

Overig

Afbeelding met toestemming overgenomen van https://pxhere.com/en/photo/1441957

Deze site gebruikt cookies voor het bijhouden van statistieken. Details zijn beschreven in de Privacyverklaring. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten